Opticien

Opticien-arrest

Zaak: 1923-10-15/NJ 131084
Wetgeving: art. 40 Sr

Casus

Een opticien heeft de Verordening op de Winkelsluiting overtreden, door in zijn winkel, na de wettelijke sluitingstijd, een bril te verkopen aan iemand van wie vaststond dat hij zonder bril niet kon zien en daardoor in een zeer hulpbehoevende toestand verkeerde.

Kernoverweging

Hoge Raad:
“O. dat tegen dit feit straf is bedreigd bij art. 9 der Verordening op de Winkelsluiting te Amsterdam, doch de Rechtbank den gerequireerde niet strafbaar heeft verklaard en hem van alle rechtsvervolging heeft ontslagen op grond dat —’waar het voor hem vaststond dat getuige de Grooth (de bij dagvaarding bedoelde man) zonder bril of lorgnet niet zien kon en mitsdien toen in een zoo niet gevaarlijken dan toch in elk geval zeer hulpbehoevenden toestand verkeerde — het eene voor beklaagde als opticien maatschappelijke verplichting was de in de onderhavige omstandigheden alleen van hem te verwachte hulp te verleenen; eene verplichting door welke beklaagde, appellant, geacht moet worden in zoo sterke mate te zijn gedrongen geworden, dat zij zijne strafbaarheid ten aanzien van de noodzakelijk daaruit volgende overtreding, gelijk deze hem is telastegelegd, opheft;’ ”

Rechtsregel

Van overmacht in de zin van art. 40 Sr is – onder andere – sprake bij een noodtoestand.