Huizer veearts

Huizer veearts-arrest

Zaak: 1933-02-20/NJ 131207
Wetgeving: art. 82 Veewet

Casus

Een veearts bracht een aantal gezonde koeien in contact met een aantal zieke koeien, waardoor de gezonde koeien besmet raakten met een ziekte genaamd mond-en-klauwzeer. Dit deed hij echter omdat hij wist dat hierdoor een soort vaccinatie zou ontstaan, waardoor de koeien minder snel ziek zouden worden.

Kernoverweging

Hoge Raad:
“O. nu dat de strafwet zich wel in de delictsomschrijving van zoodanige bewoordingen kan bedienen, dat voor dergelijke, buiten den tekst der wet zelven liggende beschouwingen, geen ruimte wordt gelaten, doch zulks hier niet het geval is;”

“dat dit o.m. kan blijken uit de omstandigheid, dat de Veewet, blijkens de artt. 15 en 16 i.v.m. artt. 1 en 4 K. B. van 25 April 1922, S. 220, ook ingeënt vee, gedurende zekeren tijd, als verdacht aanmerkt, zoodat het inenten is te beschouwen als het in verdachten toestand brengen van het vee, waarop deze behandeling wordt toegepast; dat dan ook in genoemd K. B. maatregelen zijn getroffen tegen het gevaar van besmetting, dat ingeënt vee oplevert; dat echter de veearts, die volgens de in zijn wetenschap algemeen erkende regelen deze voorbehoedende behandeling op het vee toepast, niet volgens art. 82 Veewet kan worden gestraft, niet, omdat in de wet zelve een bepaalde strafuitsluitingsgrond met zooveele woorden zoude zijn te vinden, — art. 42 Sr. zou niet in aanmerking komen, daar inenting bij gen enkel wettelijk voorschrift verplichtend is gesteld, — maar omdat de onrechtmatigheid van het in verdachten toestand brengen van het vee zoude wegvallen;”

“O. dat het Hof, in de overwegingen betreffende de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van den verdachte, wel zijn juridische zienswijze heeft kenbaar gemaakt, doch den feitelijken grondslag van het verweer — o.m. inhoudende, dat bedoelde koeien, indien zij in de weide waren gebleven, met zeer groote waarschijnlijkheid mond- en klauwzeer zouden hebben gekregen, dat inderdaad door de bewuste handeling veel lijden is bespaard en zelfs het besmettingsgevaar voor den veestapel in het algemeen door die handeling is verminderd, dat verdachte heeft gehandeld gelijk hij als goed veearts behoorde te handelen — geheel in het midden heeft gelaten, waardoor het aan den H. R., die in het arrest van verwijzing reeds aanwijzingen had gegeven omtrent het relevant karakter van genoemde verweren, niet mogelijk is een beslissing ten principale te geven;”

Rechtsregel

Het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid is een ongeschreven rechtvaardigingsgrond, die van toepassing is in gevallen waarbij een recht wordt geschonden, om daarmee het belang van dat recht beter te kunnen dienen.