Zaak: ECLI:NL:XX:2014:697
Wetgeving: art. 5 EVRM


Europees Hof voor de Rechten van de Mens:
39. “The Court accepts that, by reason of their particular gravity and public reaction to them, certain offences may give rise to a social disturbance capable of justifying pre-trial detention, at least for a time. In exceptional circumstances this factor may therefore be taken into account for the purposes of the Convention, in any event in so far as domestic law recognises — as does Article 67a of the Netherlands Code of Criminal Procedure — the notion of disturbance to public order caused by an offence. However, this ground can be regarded as relevant and sufficient only provided that it is based on facts capable of showing that the accused’s release would actually disturb public order. In addition detention will continue to be legitimate only if public order remains actually threatened; its continuation cannot be used to anticipate a custodial sentence. More generally, the need to continue the deprivation of liberty cannot be assessed from a purely abstract point of view, taking into consideration only the gravity of the offence”.


Sociale onrust, ontstaan door strafbare feiten van een bijzondere ernst, kan in uitzonderlijke gevallen tijdelijk voorarrest kan rechtvaardigen. Deze grond kan alleen worden ingezet op basis van feiten die leiden tot het oordeel dat invrijheidstelling daadwerkelijk sociale onrust zal veroorzaken. Daarnaast is het voortzetten van het voorarrest alleen legitiem als het risico van een verstoring van de openbare orde aanwezig blijft. De noodzaak om het voorarrest voort te zetten kan dus niet alleen worden beoordeeld op het abstracte niveau van de ernst van de feiten.