Öztürk

Öztürk-arrest

Zaak: ECLI:NL:XX:1984:AC9954
Wetgeving: art. 6 EVRM

Casus

Klager is door de Duitse rechter veroordeeld in de kosten van de bijstand door een tolk tijdens de rechtzitting. Het recht van klager op kosteloze bijstand door een tolk is hierdoor geschonden (art. 6 lid 3 sub e EVRM).

Kernoverweging

Europees Hof voor de Rechten van de Mens:
50. “Having thus reaffirmed the ‘authonomy’ of the notion of ‘criminal’ as conceived of under Art. 6, what the Court must determine is whether or not the ‘regulatory offence’ committed by the applicant was a ‘criminal’ one within the meaning of that Article. For this purpose, the Court will rely on the criteria adopted in the above-mentioned Engel and others judgment (ibid., para. 82). The first matter to be ascertained is whether or not the text defining the offence in issue belongs, according to the legal system of the respondent State, to criminal law; next, the nature of the offence and, finally, the nature and degree of severity of the penalty that the person concerned risked incurring must be examined, having regard to the object and purpose of Art. 6, to the ordinary meaning of the terms of that Article and to the laws of the Contracting States.”

Rechtsregel

Bij de vaststelling of sprake is van een ‘criminal charge’ in de autonome betekenis van art. 6, steunt het Hof op criteria uit het Engel-arrest. Hierbij moeten de volgende vragen worden gesteld.

  1. Behoort de bepaling die het vergrijp in kwestie definieert volgens het nationale rechtssysteem tot het strafrecht?
  2. Wat is het karakter/de aard van het vergrijp?
  3. Wat is de aard en zwaarte van de sanctie welke betrokkene riskeerde?

De indicatie welke het nationale recht van de verdragsstaat geeft heeft overigens maar een beperkte waarde. Het tweede criterium — de wezenlijke aard van het vergrijp, mede bezien in samenhang met de aard van de bijbehorende sanctie — weegt bij de beoordeling zwaarder.